| ← Psalms (8/150) → |
| 1. | Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Gitthith. |
| 2. | O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde! Gij, die Uw majesteit gesteld hebt boven de hemelen. |
| 3. | Uit de mond der kinderkens en der zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, om Uwer tegenpartijen wil, om den vijand en wraakgierige te doen ophouden. |
| 4. | Als ik Uw hemel aanzie, het werk Uwer vingeren, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt; |
| 5. | Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt? |
| 6. | En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond? |
| 7. | Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet; |
| 8. | Schapen en ossen, alle die; ook mede de dieren des velds. |
| 9. | Het gevogelte des hemels, en de vissen der zee; hetgeen de paden der zeeen doorwandelt. [ (Psalms 8:10) O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde! ] |
| ← Psalms (8/150) → |