| ← Psalms (71/150) → |
| 1. | Op U, o HEERE! betrouw ik; laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid. |
| 2. | Red mij door Uw gerechtigheid, en bevrijd mij; neig Uw oor tot mij, en verlos mij. |
| 3. | Wees mij tot een Rotssteen, om daarin te wonen, om geduriglijk daarin te gaan; Gij hebt bevel gegeven, om mij te verlossen, want Gij zijt mijn Steenrots en mijn Burg. |
| 4. | Mijn God, bevrijd mij van de hand des goddelozen, van de hand desgenen, die verkeerdelijk handelt, en des opgeblazenen. |
| 5. | Want Gij zijt mijn Verwachting, Heere, HEERE! mijn Vertrouwen van mijn jeugd aan. |
| 6. | Op U heb ik gesteund van den buik aan; van mijner moeders ingewand aan zijt Gij mijn Uithelper; mijn lof is geduriglijk van U. |
| 7. | Ik ben velen als een wonder geweest; doch Gij zijt mijn sterke Toevlucht. |
| 8. | Laat mijn mond vervuld worden met Uw lof, den gansen dag met Uw heerlijkheid. |
| 9. | Verwerp mij niet in den tijd des ouderdoms; verlaat mij niet, terwijl mijn kracht vergaat. |
| 10. | Want mijn vijanden spreken van mij, en die op mijn ziel loeren, beraadslagen te zamen, |
| 11. | Zeggende: God heeft hem verlaten; jaagt na, en grijpt hem, want er is geen verlosser. |
| 12. | O God, wees niet verre van mij; mijn God! haast U tot mijn hulp. |
| 13. | Laat hen beschaamd worden, laat hen verteerd worden, die mijn ziel tegen zijn; laat hen met smaad en schande overdekt worden, die mijn kwaad zoeken. |
| 14. | Doch ik zal geduriglijk hopen, en zal al Uw lof nog groter maken. |
| 15. | Mijn mond zal Uw gerechtigheid vertellen, den gansen dag Uw heil; hoewel ik de getallen niet weet. |
| 16. | Ik zal heengaan in de mogendheden des Heeren HEEREN; ik zal Uw gerechtigheid vermelden, de Uwe alleen. |
| 17. | O God! Gij hebt mij geleerd van mijn jeugd aan, en tot nog toe verkondig ik Uw wonderen. |
| 18. | Daarom ook, terwijl de ouderdom en grijsheid daar is, verlaat mij niet, o God, totdat ik dezen geslachte verkondige Uw arm, allen nakomelingen Uw macht. |
| 19. | Ook is Uw gerechtigheid, o God, tot in de hoogte; Gij, Die grote dingen gedaan hebt; o God! wie is U gelijk? |
| 20. | Gij, Die mij veel benauwdheden en kwaden hebt doen zien, zult mij weder levend maken, en zult mij weder ophalen uit de afgronden der aarde. |
| 21. | Gij zult mijn grootheid vermeerderen, en mij rondom vertroosten. |
| 22. | Ook zal ik U loven met het instrument der luit, Uw trouw, mijn God; ik zal U psalmzingen met de harp, o Heilige Israels! |
| 23. | Mijn lippen zullen juichen, wanneer ik U zal psalmzingen, en mijn ziel, die Gij verlost hebt. |
| 24. | Ook zal mijn tong Uw gerechtigheid den gansen dag uitspreken, want zij zijn beschaamd, want zij zijn schaamrood geworden, die mijn kwaad zoeken. |
| ← Psalms (71/150) → |