| ← Psalms (25/150) → |
| 1. | Een psalm van David. Aleph. Tot U, o HEERE! hef ik mijn ziel op. |
| 2. | Beth. Mijn God! op U vertrouw ik; laat mij niet beschaamd worden; laat mijn vijanden niet van vreugde opspringen over mij. |
| 3. | Gimel. Ja, allen, die U verwachten, zullen niet beschaamd worden; zij zullen beschaamd worden, die trouwelooslijk handelen zonder oorzaak. |
| 4. | Daleth. HEERE! maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden. |
| 5. | He. Vau. Leid mij in Uw waarheid, en leer mij, want Gij zijt de God mijns heils; U verwacht ik den ganse dag. |
| 6. | Zain. Gedenk, HEERE! Uwer barmhartigheden en Uwer goedertierenheden, want die zijn van eeuwigheid. |
| 7. | Cheth. Gedenk niet der zonden mijner jonkheid, noch mijner overtredingen; gedenk mijner naar Uw goedertierenheid, om Uwer goedheid wil, o HEERE! |
| 8. | Teth. De HEERE is goed en recht; daarom zal Hij de zondaars onderwijzen in den weg. |
| 9. | Jod. Hij zal de zachtmoedigen leiden in het recht, en Hij zal den zachtmoedigen Zijn weg leren. |
| 10. | Caph. Alle paden des HEEREN zijn goedertierenheid en waarheid, dengenen, die Zijn verbond en Zijn getuigenissen bewaren. |
| 11. | Lamed. Om Uws Naams wil, HEERE! zo vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot. |
| 12. | Mem. Wie is de man, die den HEERE vreest? Hij zal hem onderwijzen in den weg, dien hij zal hebben te verkiezen. |
| 13. | Nun. Zijn ziel zal vernachten in het goede, en zijn zaad zal de aarde beerven. |
| 14. | Samech. De verborgenheid des HEEREN is voor degenen, die Hem vrezen; en Zijn verbond, om hun die bekend te maken. |
| 15. | Ain. Mijn ogen zijn geduriglijk op den HEERE, want Hij zal mijn voeten uit het net uitvoeren. |
| 16. | Pe. Wend U tot mij, en wees mij genadig, want ik ben eenzaam en ellendig. |
| 17. | Tsade. De benauwdheden mijns harten hebben zich wijd uitgestrekt; voer mij uit mijn noden. |
| 18. | Resch. Aanzie mijn ellende, en mijn moeite, en neem weg al mijn zonden. |
| 19. | Resch. Aanzie mijn vijanden, want zij vermenigvuldigen, en zij haten mij met een wreveligen haat. |
| 20. | Schin. Bewaar mijn ziel, en red mij; laat mij niet beschaamd worden, want ik betrouw op U. |
| 21. | Thau. Laat oprechtigheid en vroomheid mij behoeden, want ik verwacht U. |
| 22. | O God! verlos Israel uit al zijn benauwdheden. |
| ← Psalms (25/150) → |