| ← Psalms (126/150) → |
| 1. | Een lied Hammaaloth. Als de HEERE de gevangenen Sions wederbracht, waren wij gelijk degenen, die dromen. |
| 2. | Toen werd onze mond vervuld met lachen, en onze tong met gejuich; toen zeide men onder de heidenen: De HEERE heeft grote dingen aan dezen gedaan. |
| 3. | De HEERE heeft grote dingen bij ons gedaan; dies zijn wij verblijd. |
| 4. | O HEERE! wend onze gevangenis, gelijk waterstromen in het zuiden. |
| 5. | Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien. |
| 6. | Die het zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat al gaande en wenende; maar voorzeker zal hij met gejuich wederkomen, dragende zijn schoven. |
| ← Psalms (126/150) → |