| ← Psalms (113/150) → |
| 1. | Hallelujah! Looft, gij knechten des HEEREN! looft den Naam des HEEREN. |
| 2. | De Naam des HEEREN zij geprezen, van nu aan tot in der eeuwigheid. |
| 3. | Van den opgang der zon af tot haar nedergang, zij de Naam des HEEREN geloofd. |
| 4. | De HEERE is hoog boven alle heidenen, boven de hemelen is Zijn heerlijkheid. |
| 5. | Wie is gelijk de HEERE, onze God? Die zeer hoog woont. |
| 6. | Die zeer laag ziet, in den hemel en op de aarde. |
| 7. | Die den geringe uit het stof opricht, en den nooddruftige uit den drek verhoogt; |
| 8. | Om te doen zitten bij de prinsen, bij de prinsen Zijns volks. |
| 9. | Die de onvruchtbare doet wonen met een huisgezin, een blijde moeder van kinderen. Hallelujah! |
| ← Psalms (113/150) → |